Verdiepen in de PISA-resultaten – interview met LeesLab-coördinator Jessica

Hoe heb jij de PISA-resultaten geïnterpreteerd?
De daling komt niet als een verrassing. Deze ontwikkeling is al jaren bezig en onderzoekers waarschuwen hier ook al lange tijd voor. Wat ik vooral verdrietig vind, is dat we inmiddels allemaal doordrongen lijken van het belang van goed leesonderwijs, maar dat we de omslag in de praktijk nog onvoldoende voor elkaar krijgen.
Tegelijkertijd weten we steeds beter wat nodig is. In de nieuwe kerndoelen voor Nederlands is veel aandacht voor geïntegreerd leesonderwijs: taal en lezen horen niet alleen bij het vak Nederlands, maar spelen een belangrijke rol in alle vakken. Lezen is geen doel op zich, maar een middel om kennis op te doen en de wereld beter te begrijpen.
Als we weten wat werkt en we daar ook steeds meer van doordrongen zijn, zou je verwachten dat we de resultaten kunnen verbeteren. Maar in de praktijk lopen leerkrachten tegen een heel begrijpelijke vraag aan: wat ga ik morgen in mijn les anders doen? Daar heb je echt een heel team voor nodig. Als individuele leerkracht kun je wel stappen zetten, maar als jij de enige bent die het anders probeert te doen, is het moeilijk om een blijvende verandering te realiseren.
Een mooi startpunt is daarom om als schoolteam samen naar de nieuwe kerndoelen te kijken en te bespreken: hoe gaan wij dit met elkaar vormgeven? Daarbij kan het ook heel leerzaam zijn om binnen de school van elkaar te leren. Wat doet mijn collega op het gebied van leesonderwijs dat ik kan gebruiken of versterken?
Kijk daarbij ook naar de verschillende facetten van taal- en leesonderwijs en hoe die met elkaar samenhangen. We zien bijvoorbeeld leerlingen die technisch gezien goed kunnen lezen, maar voor wie tekstbegrip toch heel moeilijk is. Dat is zonde. Want als je niet goed begrijpt wat je leest, verdwijnt uiteindelijk ook het plezier dat je aan lezen kunt beleven. De technische leesvaardigheid, leesplezier en leesbegrip zijn daarom sterk met elkaar verbonden en kunnen elkaar versterken.
Hoe kijk jij naar de validiteit van de PISA-resultaten?
Daar is natuurlijk veel over te doen. PISA is waardevol omdat je probeert om de leesvaardigheid van leerlingen in verschillende landen met elkaar te vergelijken. Tegelijkertijd blijft het een momentopname. Er zijn ook vragen over hoe serieus leerlingen de vragenlijst en toetsen invullen. Nederland scoort bijvoorbeeld relatief laag op die inzet. Maar misschien zijn Nederlandse leerlingen daar gewoon heel eerlijk in.
Daardoor kunnen er nuances verloren gaan. Maar wat voor mij overeind blijft, is dat de dalende trend in veel landen zichtbaar is. Dat is een belangrijk signaal.
Ik zou alleen niet willen dat we ons volledig gaan richten op die PISA-resultaten. Als we alleen bezig zijn met het verbeteren van de score op een toets, worden kinderen daar morgen geen betere lezers van. Het is veel interessanter om te kijken: wat hebben leerlingen in de klas nodig om vaardige lezers te worden, wat werkt wél goed binnen leesonderwijs en hoe kunnen we dat versterken?
Er wordt veel gesproken over een ‘leescrisis’. Hoe kijk jij daarnaar?
Als je breder naar de leescrisis kijkt, lijkt het soms alsof het scherm het wint van het boek. Dat begint niet alleen bij kinderen. We zien het ook bij ouders. We moeten proberen daar een kentering in te realiseren. Goed voorbeeld doet goed volgen. Bij LeesLab proberen we daarom veel voor te lezen en met kinderen en jongeren over boeken te praten. Op die manier probeer je het leesplezier weer terug te krijgen.
Kinderen zijn van nature nieuwsgierig. Dat zien we ook bij de lessen Lezend leren, waarbij leerlingen kennis opdoen over een thema aan de hand van actuele, uitdagende en aansprekende teksten. De uitdaging is om die nieuwsgierigheid en aandacht vast te houden en te voeden. Als we dat op de basisschool goed doen, hopen we dat middelbare scholen beter in staat zijn om die interesse vast te houden. Dat is niet eenvoudig, want jongeren hebben op die leeftijd ontzettend veel andere dingen die om hun aandacht vragen.
Maar we zien ook middelbare scholen waar het wél lukt. Het begint bijvoorbeeld bij een goede bibliotheek en leraren die lezen en leesplezier uitstralen, maar je moet ook bewust nadenken over welke boeken en teksten leerlingen lezen. Het gaat dus niet alleen om méér lezen, maar ook om de kwaliteit en diversiteit van wat je aanbiedt.
Welke beperkingen zie jij in het huidige leesonderwijs? En wat doet LeesLab anders?
In veel scholen is taal erg versnipperd geraakt in allerlei onderdelen die vervolgens ook afzonderlijk worden getoetst: leessnelheid, leesbegrip, technisch lezen. Maar uiteindelijk gaat het om hetzelfde grotere doel: dat leerlingen de Nederlandse taal echt beheersen, zodat ze de wereld om hen heen beter kunnen begrijpen.
Daarvoor is het juist belangrijk om taal en lezen weer meer met elkaar te integreren. Door met elkaar over een tekst te praten, ga je die tekst beter begrijpen. Door iets op te schrijven, word je gedwongen om na te denken over de essentie van wat je gelezen hebt. Wat is eigenlijk het belangrijkste uit deze alinea? Wat bedoelt de schrijver? Hoe verhoudt dit zich tot wat ik al weet?
Ik denk dat we een beetje zijn vergeten om dat te doen. We hebben veel methodes ontwikkeld die uitgaan van afzonderlijke onderdelen van taal en zich richten op één specifiek aspect. Terwijl juist het combineren van verschillende vaardigheden zo belangrijk is.
Dat zien we ook terug in PISA. Nederlandse leerlingen hebben relatief veel moeite met het evalueren en reflecteren op teksten. En juist hierbij moet je verschillende vaardigheden combineren: je moet begrijpen wat er staat, verbanden leggen, voorkennis gebruiken en kritisch nadenken.
Voor mij is dat een bevestiging dat we veel meer moeten inzetten op integratie. Bij Lezend leren denkt de leerkracht hardop bij een tekst, werken leerlingen samen aan de kern door erover te praten en schrijven ze de tekst daarna in hun eigen woorden opnieuw. Ze doen daardoor kennis op binnen een thema en leren die kennis te koppelen aan onderzoeksvragen en aan kennis uit andere teksten die ze lezen. Lezen, praten en schrijven versterken elkaar zo binnen één lessenreeks. Met voorlezen en zelfstandig lezen bouwen leerlingen daarnaast aan techniek, begrip en leesplezier. Alleen zo worden ze uiteindelijk echt goede, zelfstandige lezers.
Hoe onderzoeken jullie of LeesLab effectief is?
We zitten op dit moment nog in een voorbereidende fase waarin we onderzoeken welke instrumenten geschikt zijn om de ontwikkeling van leerlingen op leesmotivatie en leesbegrip goed in kaart te brengen. We kijken daarbij specifiek naar instrumenten die passen bij een multiculturele en meertalige doelgroep, van groep 4 tot en met groep 8. Veel bestaande instrumenten zijn daar niet op gemaakt.
Het zou mooi zijn als we leerlingen gedurende hun hele basisschoolloopbaan kunnen volgen en kunnen zien hoe hun ontwikkeling verloopt. Daarbij helpt het dat we zijn begonnen met onderzoek vanuit de Hogeschool Utrecht, waar al ontwerpend onderzoek naar LeesLab is gedaan.
Het is echt nog een zoektocht naar welk instrument het beste past bij waar een leerling op dat moment staat. Leesbegrip meten is namelijk erg ingewikkeld. Veel toetsen geven maar een beperkt beeld van wat een leerling daadwerkelijk kan.
Dat betekent niet dat we het dan maar niet moeten meten. Je wilt af en toe een soort thermometer in de klas steken. Daar is niets mis mee. Maar toetsen moeten geen doel op zich worden. Ze zouden vooral moeten helpen om te bepalen wat leerlingen nodig hebben en wat je als leerkracht in je onderwijs kunt doen.
Veel toetsen zijn oorspronkelijk ontwikkeld om leerlingen met elkaar te vergelijken. Maar dat is iets anders dan een toets die een leerkracht helpt om te bepalen: wat moet ik morgen anders doen in mijn les? Juist dat gesprek is als team heel waardevol. Daarin kun je veel van elkaar leren.
Wanneer weet je dan of LeesLab werkt?
De ingrediënten die we binnen LeesLab gebruiken, zijn niet willekeurig gekozen. Van veel van die ingrediënten weten we al dat ze bijdragen aan leesmotivatie en leesbegrip. Maar leerlingen zijn niet van de ene op de andere dag gemotiveerde lezers. Dit vraagt om volhouden als hele school en om samen te werken aan een doorlopende leerlijn.
De winst kan ook pas over meerdere jaren zichtbaar worden. Leesbegrip hangt sterk af van wat leerlingen al weten over de wereld, en die kennis bouw je stap voor stap op. Als je bijvoorbeeld in de middenbouw begint met deze manier van leesonderwijs en er is in de jaren daarvoor weinig aan kennisopbouw gedaan, zal het leesbegrip misschien niet meteen sterk vooruitgaan. Dat betekent niet dat je aanpak niet werkt, maar dat leerlingen meer steun van leerkrachten nodig hebben.
Je moet jezelf als school de tijd gunnen om stappen te zetten en tegelijkertijd niet verwachten dat je van vandaag op morgen totaal andere resultaten ziet.
Er zijn bovendien meer manieren om ontwikkeling te zien dan alleen via toetsen. Daarom kijken we breder. In de leesgesprekken die we met leerlingen voeren, krijgen we bijvoorbeeld veel informatie. Als een leerling steeds beter kan vertellen waar een boek over gaat, of verbanden kan leggen tussen verschillende thema's of teksten bij Lezend leren, dan zie je dat er ontwikkeling plaatsvindt.
Ik denk dat we daarin ook meer moeten durven vertrouwen op wat we in de klas zien. Uiteindelijk gaat het erom dat leerlingen steeds beter begrijpen wat ze lezen, daar plezier aan beleven en lezen kunnen gebruiken om nieuwe kennis op te doen. Dat vraagt niet om één losse interventie, maar om een gezamenlijke beweging binnen de hele school.
